Ga naar
We horen veel over archeologische vondsten op exotische bestemmingen of in de historische steden, maar gaan er eigenlijk ook opgravingen door in onze eigen streek? Jazeker! Voor de gemeenten Aalter, Deinze, Evergem, Knesselare, Lovendegem en Nevele staat de Kale-Leie Archeologische Dienst (KLAD) in voor het behoud, het beheer en het onderzoek van lokaal archeologisch erfgoed.
Steentijd: de harde jaren!
De steentijd is de periode van de laatste ijstijden. In de zomer was het hier nauwelijks 5° C en het kale landschap werd bewoond door mammoeten en rendieren. Tijdens de iets warmere tussenperioden kwamen er hier ook mensen wonen, de zogenaamde neanderthalers. Ze trokken op jacht in groepen van 20 tot 30 individuen en bouwden tijdelijke tentenkampen. Sporen van deze kampen zijn erg zeldzaam, maar in Aalter werden wel 2 zones met werktuigen in silex (vuursteen) uit deze tijd ontdekt. Mogelijk zijn dit de resten van tijdelijk bewoonde kampen van rondtrekkende neanderthalers.
Langzaam is het klimaat milder geworden. Het kale landschap maakte plaats voor een gesloten boslandschap waarin kleinere - hedendaagse - dieren leefden. De neanderthaler maakte plaats voor de moderne mens. Ook deze bouwde in eerste instantie tijdelijke kampen en trok rond op zoek naar voedsel.
Deze levensgewoonte veranderde pas tijdens het neolithicum. De mensen schakelden langzaam over van jagen en verzamelen naar veeteelt en akkerbouw en vestigden zich daarom op één plek van waar ze het land bewerkten.
Ten tijde van brons en ijzer: de metaaltijden
Bronstijd
Ongeveer tweeduizend jaar voor onze jaartelling deed brons zijn intrede in Europa als nieuwe grondstof voor de vervaardiging van voorwerpen. In onze regio zijn er echter geen ertsen. De mensen leefden hier tijdens de bronstijd nog steeds van landbouw en veeteelt in kleine nederzettingen met een drie- tot viertal lange woonstalhuizen. Vaak liggen er in de omgeving van deze nederzettingen grafheuvels. Dit zijn de begraafplaatsen van belangrijke mensen binnen de gemeenschap. Hun crematieresten werden begraven onder zo een grafheuvel, waarrond 1 of 2 grachten werden gegraven. Voorbeelden van bronstijdnederzettingen zijn er in Aalter nog niet opgegraven, maar dankzij luchtfotografie zijn er wel grafheuvels ontdekt nabij Woestijne en Lotenhulle.
Vanaf 1100 v.C. maakten de grafheuvels plaats voor uitgestrekte urnengrafvelden, zoals te Aalter - Oostergem.
IJzertijd
IJzerertsen zijn alomtegenwoordig in Europa, maar ijzer geraakte veel later in gebruik door het moeilijke productieproces. Eens men dit onder de knie had, werd brons vrij snel geruild voor ijzer. Archeologen troffen op verschillende plaatsen in Aalter sites aan die in de ijzertijd geplaatst worden. Zo werd in 2006 bij de uitbreiding van het kerkhof van Aalter een plattegrond van een klein gebouw uit de vroege ijzertijd gevonden. Ook op de oevers van het kanaal Gent – Brugge – Oostende, vroeger de vallei van de Hoge Kale, werd ijzertijdbewoning vastgesteld op de sites van Langevoorde, Lakeland, Woestijne, en Brug Noord.
En toen kwamen de Romeinen
Bij de verovering van onze streek bood de Gallische bevolking eerst weerstand, maar na verloop van tijd smolten ze volledig samen met de veroveraar. Zo ontstond de zogenaamde Gallo-Romeinse cultuur en heerste er een relatieve vrede.
De meeste mensen leefden nog steeds in huizen, die eigenlijk niet zoveel verschilden van de huizen uit de metaaltijden. Op de site van Langevoorde werden samen met de ijzertijdsporen ook sporen uit de Romeinse periode aangetroffen. Het ging om een erf afgebakend door grachten, waarbinnen sporen van meerdere hoofdgebouwen en bijgebouwen werden aangetroffen.
De rijke Gallo-Romeinen leefden echter naar Romeins voorbeeld in grote luxueuze stenen huizen met stallen, schuren en veel grond eromheen. In onze regio zijn er slechts enkele stenen constructies gekend, waaronder die van Aalter Loveld. Daar werden in 2006 de resten ontdekt van een groot stenen gebouw uit de Romeinse tijd. Vroeger was er vlakbij al een stenen waterput aangetroffen, met daarin onder meer een houten panfluit. Omdat een stenen gebouw zo zeldzaam is veronderstelden de archeologen toen al dat dit gebouw een speciale functie had; mogelijk een militaire post of zelfs een kamp. In 2007 en 2008 werd deze hypothese bevestigd door de vondst van een verdedigingssysteem met grachten en de resten van een uitkijktoren.
Vanaf de 3de eeuw doorbraken strijdlustige Germaanse stammen de noordgrens (Rijn en Donau) van dit wereldrijk. Dit veroorzaakte een enorme chaos die uiteindelijk omstreeks de 5de eeuw zou leiden tot de definitieve teloorgang van het Romeinse rijk en de start van de middeleeuwen.
De ‘herkenbare’ middeleeuwen
De voortdurende verschuiving van bevolkingsgroepen zorgde nog tot in de 9de eeuw voor een onstabiele situatie. Pas rond de 10de eeuw komt er met de komst van de Karolingische dynastie een relatieve rust. Dan start ook het deel van de geschiedenis dat voor ons het makkelijkst herkenbaar is, want vele dorpen en steden, kastelen, abdijen en kerken van toen zijn nu nog terug te vinden in het huidige landschap.
Tijdens de middeleeuwen groeiden kleine nederzettingen uit tot de eerste dorpen. Ze ontstonden vaak op plaatsen kruispunten van wegen of aan rivieren waar aan handel kon gedaan worden, of waar mensen bescherming vonden, zoals bij kerken, abdijen of kastelen. Sommige dorpen evolueerden tot steden, die stadsrechten verkregen om verdedigingswerken, stadspoorten en andere grote bouwwerken te bouwen. De huizen in de stad waren eerst in hout en later in steen om brand te vermijden.
De adel en later ook de rijke burgerij demonstreerden dan weer rijkdom en macht door versterkte kastelen op te trekken. De motte was het prototype van een kasteel. Het was een indrukwekkende vesting met een grote kunstmatige aarden heuvel – het opperhof – met daarop een houten toren en later een stenen donjon. Op het neerhof speelde zich dan weer het dagelijkse leven af. Kastelen groeiden eerst uit tot sterke verdedigingsbastions. Later verdween het militaire karakter en werden het prachtige bouwwerken met aangelegde tuinen die de bijzonder hoge levensstandaard van de bewoners weerspiegelden.
Niets van dit alles voor de gewone man op het platteland. Die stelde zich tevreden met een zeer eenvoudig boerderijtje, opgetrokken uit een houten skelet, een dak van stro en muren van houten vlechtwerk bestreken met leem. Twee voorbeelden van dergelijke middeleeuwse hoeves (10de – 11de eeuw) zijn gevonden op de sites van Aalter Langevoorde en Aalter Manewaarde.
Vroegmoderne tijd
Na de middeleeuwen veranderde het landschap opnieuw geleidelijk. In de vroegmoderne tijd verdwenen veel middeleeuwse verdedigingsstructuren en kregen kastelen, hoeves en dorpen een meer comfortabel en georganiseerd karakter. Oude houten gebouwen maakten steeds vaker plaats voor bakstenen constructies, terwijl landbouwbedrijven groter en efficiënter werden uitgebouwd.
In deze periode verschenen in onze streek talrijke gesloten hoeves met bakstenen woonhuizen, stallen en schuren rond een centrale binnenplaats. De landbouw bleef de belangrijkste economische sector, maar ook handel en nijverheid namen toe. Langs belangrijke wegen ontstonden herbergen, kleine werkplaatsen en handelsplaatsen die de verbinding vormden tussen dorpen en steden.
Veel kerken en abdijen werden uitgebreid of vernieuwd in de stijl van hun tijd. Tegelijk veranderde ook het landschap door de aanleg van rechte dreven, nieuwe wegen en systematische ontginningen van heide- en moerasgebieden. Waterlopen werden beter gecontroleerd met grachten en sluizen om landbouwgronden droger en vruchtbaarder te maken.
Archeologen vinden uit deze periode onder meer: bakstenen funderingen van hoeves en woningen; waterputten, beerputten en voorraadkelders; aardewerk, glas, metalen gebruiksvoorwerpen en munten; resten van oude perceelsgrachten en wegtracés.
Deze vondsten tonen hoe het dagelijkse leven stilaan veranderde van een middeleeuwse samenleving naar een meer moderne wereld, waarin landbouw, handel en infrastructuur steeds belangrijker werden.
Moderne tijd
Vanaf de 19de eeuw veranderde het landschap van onze streek opnieuw ingrijpend. De aanleg van het kanaal Gent–Brugge–Oostende, de komst van de spoorlijn, en de groei van dorpskernen zorgden voor een nieuwe laag in het archeologisch bodemarchief.
Archeologen treffen uit deze periode vooral:
Bakstenen funderingen — resten van woningen, schuren en kleine werkplaatsen.
Industriële structuren — droogloodsen, waterputten, kelders en sporen van ambachtelijke productie.
Deze vondsten tonen hoe de regio evolueerde van een uitgesproken landbouwgebied naar een meer gemengd landschap met industrie, handel en infrastructuur.
De 20ste eeuw: oorlog, wederopbouw en modernisering
De twee wereldoorlogen lieten ook in onze streek duidelijke sporen na. Hoewel het front zich elders bevond, werden in de omgeving van Aalter en Deinze: schuttersputjes, noodschuilplaatsen, militaire objecten.
aangetroffen bij grondwerken. Deze relicten worden vandaag zorgvuldig geregistreerd en vaak geneutraliseerd in samenwerking met DOVO. Na 1945 veranderde het landschap opnieuw snel. Militaire relicten — loopgraven, schuilplaatsen en munitie uit WO I en WO II, vooral langs strategische punten en oude verbindingswegen. De ruilverkavelingen, de uitbreiding van dorpskernen en de aanleg van nieuwe woonwijken zorgden voor een sterke toename van archeologisch onderzoek. Veel middeleeuwse en vroegmoderne sites werden toen voor het eerst systematisch gedocumenteerd.
Hedendaagse tijd
Ook vandaag blijft archeologisch onderzoek belangrijk. Moderne technieken zoals luchtfotografie, digitale terreinmodellen en bodemscans helpen archeologen om nederzettingen, grafvelden en oude perceelsstructuren op te sporen zonder meteen te moeten graven. Vooral bij nieuwe verkavelingen, industriegebieden en wegenwerken wordt tegenwoordig eerst nagegaan of er waardevol erfgoed in de bodem aanwezig is.
In Aalter, Deinze en de omliggende gemeenten werden de voorbije decennia nog tal van ontdekkingen gedaan. Zo kwamen bij verschillende opgravingen resten uit de ijzertijd, de Romeinse periode en de middeleeuwen aan het licht, waaronder huisplattegronden, waterputten, grachten en oude bewoningssporen. Hierdoor groeit onze kennis over het dagelijkse leven van de mensen die hier duizenden jaren geleden woonden voortdurend verder.
De archeologie evolueerde bovendien sterk van een eerder beperkte onderzoeksdiscipline naar een volwaardige erfgoedzorg waarin ook publiekswerking, educatie en landschapsbehoud centraal staan. Vandaag werken archeologen vaak samen met historici, natuuronderzoekers, vrijwilligers en lokale erfgoedverenigingen om het verleden van de streek zo volledig mogelijk te reconstrueren.
De Kale-Leie Archeologische Dienst (KLAD), die jarenlang actief was in de regio, bestaat vandaag echter niet meer. De intergemeentelijke projectvereniging werd opgericht in 2003, maar werd stopgezet in 2016. Het archeologisch onderzoek in de streek wordt sindsdien verdergezet door andere archeologische diensten, erkende archeologen en private onderzoeksbureaus die actief zijn binnen de Vlaamse erfgoedzorg.




